Mama ging steeds meer om met Martin. Ik kende hem al tijden, papa en ik fietsten namelijk vaak naar zijn huis, dat maar een paar straten verder was.
Ik kon al heel goed fietsen. Opa had het mij geleerd. Ik wankelde op mijn twee wielen en trapte, terwijl hij mijn bagagedrager vasthield. “Stevig vasthouden, hé?” vroeg ik altijd met een angstig stemmetje. Hij beloofde het, maar op een keertje liet hij me los. En ik bleef fietsen, tot ik achteromkeek natuurlijk. Toen ik zag dat ik helemaal alleen met die twee wielen onderweg was, viel ik om van de schrik.
Ik huilde en ik was boos want mensen moeten verdomme doen wat ze beloven.
Niet lang daarna werd alles anders. ‘Mama en papa’ bestonden niet meer. Nu was er mama, met Martin. Hij had een ader die gevaarlijk opzwol als hij kwaad was en een tatoeage op zijn schouder, al is me ontgaan wat daarop stond. Hij had altijd Sylvie gekust, die zwijgzaam was en haar ogen vaak neersloeg zonder reden, maar opeens ging hij mama kussen.
Ik zag mama niet zo vaak meer.
Papa, mijn zusje en ik bleven vaak achter in een huis dat ons veel te groot was geworden. Hij stond me een heleboel toe dat ik daarvoor niet had gemogen. Ik hoefde niet te gaan slapen als ik niet moe was. Ik mocht cola drinken als ik dat wilde.
Mama en Martin deden ondertussen in cafés datgene wat je daar mag doen.
Sylvie stapte ’s ochtends stilletjes uit de slaapkamer die tot voor kort degene van mama en papa was geweest. Ik zag het, maar hield mijn mond. Papa vond het aangenaam als ik mijn mond hield.
Sylvie was ook de eerste vrouw die ik met zo veel toewijding zag dweilen en de was sorteren. Daar stelde ik me wel vragen bij. “Waarom doe jij dat?” vroeg ik. Ze dacht heel lang na en zei dan: “Alle vrouwen moeten het huishouden doen.”
Ze loog. Mijn mama haatte het huishouden. Ze zei vaak dat papa even goed kon meehelpen, en hij zei op zijn beurt dat hij er even goed een grondige hekel aan had.
Ik ben op zoek naar woorden. Woorden die niet tekort schieten, zoals ‘Ik hou van je’ dat doet. Laten we het maar onder ogen zien, ik ben een romantische ziel. Er valt niks meer aan te doen. Daarom probeer ik te accepteren dat ik nooit meer over iets anders zal schrijven dan de liefde.
Wat past bij het gevoel om alles te delen? Ham-kaasbroodjes (één) en sigaretten (een miljoen). Als ik naar de wc ga en bedenk hoe lief het van hem zou zijn z’n laatste slokje godendrank aan me af te staan, heeft hij het restje voor me bewaard. Als ik gelukkig ben, zegt hij dat hij gelukkig is. Stilaan beginnen we niet alleen elkaars zinnen af te maken, maar zetten we ook de punten, komma’s en uitroeptekens waar nodig. We hebben niets meer tegen elkaar te zeggen, het productiefste wat we doen is liggen, tegen zijn schouders, op zijn schoot. De meest innemende gesprekken voer ik met zijn penis. We kussen als een pril en relatief marginaal koppel, tot we erbij neervallen. We krijgen er niet genoeg van, we krijgen er nooit genoeg van. We kunnen niet dicht genoeg zijn, we kunnen nooit dicht genoeg zijn.
Ik kan het niet verwoorden, maar wel tonen.
High heels. Ik moet dringend schoenen kopen waarvan ik niet kreunend op de grond lig na een hele avond dansen. Mijn voeten branden. Ik breng de nacht door in een onbekende sofa, nadat ik plechtig heb moeten zweren dat ik niet het soort mens ben dat in sofa’s kotst. Dat is een belofte die ik zelfs had kunnen waarmaken mocht ik dronken geweest zijn.
Ik ben niet dronken. Behalve als je dronken van liefde kunt zijn. Ik ben enkel moe, maar ik kan niet kiezen hoe ik slapen wil. Laat mij het binnenste lepeltje zijn en omklem mijn borst en mijn heupen. Of mag ik mezelf oprollen tot een bolletje, en dan met mijn knuistjes op jouw schouders in slaap vallen tussen je oksel en het kuiltje van je keel?
Altijd zal ik wakker worden en gelukkig zijn, zelfs al is het omdat ik me kapotzweet, zelfs al is het omdat hij moet pissen, of omdat het koppel naast ons elkaar aan het bevredigen zijn. En wij maar denken dat we oud genoeg waren om zulke feestjes nooit meer te hoeven meemaken.
Deze zijn het allerleukst. Zo denk ik als ik nog eens wakker word naar de reden waarom alles gaat kriebelen, als zijn haren en verse koffie de eerste ochtendgeuren zijn, als het eerste wat ik zie alle huizen in mijn stad zijn. Als het eerste wat we doen, een Duvel drinken is, in een dorpscafé waar ze slechts twee euro kosten. Terwijl we klinken op de ochtend deelt hij onze sigaretten. Omdat we zullen stoppen met roken.
Als de trein rijdt – zoals altijd draagt hij mij mee op zijn dure wielen om half acht en om zes – wil ik bepalen wanneer hij stopt. Meestal gok ik op de minuut wanneer hij zal vertrekken in het volgende station. Is dat het lot van een stoptrein, die er gemiddeld om de zes minuten de brui aan geeft? Ik bepaal vertrek en oponthoud.
Eerst moet er een laagje kaas gespreid worden over het gehele bord. Daarna komt de pasta. Opnieuw een dunne lading gruyère, waarna de saus. De laatste lading uit het plastic zakje volgt, en zo komt de manier waarop ik spaghetti eet.
Dit soort feiten over mezelf weet ik moeilijk zo maar op te dreunen. Er zijn er nochtans massa’s. Mijn vreemde tics in het openbaar vervoer en de rare volgorde waarin ik mijn eten opeet (ik heb er nog één: pizza eet ik met het puntje in mijn hand – de korst moet er eerst aan geloven, want die vind ik het minst lekker). Soms ben ik bang dat ik mezelf helemaal niet zo goed ken als ik zou willen.
Altijd als ik denk dat ik mezelf ben zoekgeraakt – even maar, zoals mijn sleutels zoek zijn, ze duiken steeds weer op in één van mijn honderdduizend tassen of broekzaken – raapt hij me op en geeft hij mezelf terug. Elke keer dat hij mijn schelle, niet zo vrouwelijke giechel in mij bovenhaalt, weet ik weer dat ik het meisje met de lelijke lach ben. Hij doet me lachen. En sommigen suggereren wel eens dat het liefde is, sommigen denken dat hij smoor op me is, sommigen denken dat hij elke avond masturbeert met mijn nederige borsten in gedachten, maar zo is het niet.
Ik denk dat sommigen niet weten hoe het is om een ware vriend te hebben. Om te weten dat als de tranen over je wangen lopen en het snot je uit de neus druipt, dat iemand schouders heeft om het desbetreffende hoofd op te leggen, zonder per se de kliederboel op je gezicht af te willen vegen. Dat er iemand is die graag met je danst, als niemand anders het wil. Zelfs al vindt hij dat hij zelf niet kan dansen. Twee linkervoeten, twee rechterhanden. Want als je iets voor de zoveelste keer om zeep hebt geholpen, kan hij het maken.
Zou hij alles kunnen reparen, bricoleren? Een gebroken hart, een relatie tussen vader en kind? Het is alsinds beter dan de verstikkende tape die ik rond alles probeer te wikkelen, een spoor van gemalen kaas achterlatend. Volgens mij kan hij me wel lijmen.
Het is niet dat ze het niet geprobeerd hebben. Wij dwongen ze tot het zoveelste rationele besluit. Vader en moeder zijn, voor ons, de kinderen. Als mama ontbrak, zouden mijn haren nooit meer gekamd worden, en dezelfde knopen vormen die mijn vader nu vertoonde. Als papa ontbrak, zou ik niet meer weten hoe mensen die niet huilen zijn.
Al huilde papa ook. Eén keer. Ik was met mijn zusje aan het spelen toen de telefoon ging. Af en toe nam ik de telefoon wel eens op, dan lachten de mensen aan de andere kant van de lijn. Kleine kinderen die de telefoon opnemen, het toonbeeld van wat schattig zijn zoal inhoudt. Al vond ik mezelf natuurlijk helemaal niet schattig, ik was ten slotte al vijf. Deze keer sloeg ik echter mijn beurt over, wat papa naar de hoorn dreef. Het ene moment stond hij met de vaatdoek in zijn handen en het andere moment stroomden tranen over zijn gezicht. Hij bleef maar vragen hoe het kon. Ik was stiekem blij dat ik niet de enige was die niet altijd alles begreep.
Mama had een auto-ongeluk gehad, zei hij. Met hun gezamenlijke beste vriend, Martin, was ze in Terneuzen tegen een lantaarnpaal geknald. Maar ze was niet dood, zei hij. En het was niet haar schuld, zei hij.
Pas jaren later besefte ik wat mensen eigenlijk in Terneuzen gaan doen.
Gekneusde ribben en een gebroken arm. Veel was er niet aan. Hij moet gehuild hebben van louter de schok.
“Waarom kan ik niet vaker bij oma of mémé gaan, zoals vroeger?” vroeg ik vaak. “Zij hebben altijd centjes om eten te kopen!” Dan riep mijn mama zo luid dat ik bang werd. Ze gaf oma ook altijd heel lelijke namen, zoals hoer of trut of slet of kutwijf. Mijn mémé noemde ze nooit zo, maar misschien was mijn mémé ook geen hoer of trut of slet of kutwijf.
Op een avond kwam ik terug van het verjaardagsfeest van mijn beste vriendinnetje. Ze was zes geworden en had een taart gekregen in de vorm van een zes, met chocoladeranden en opgevuld met snoep. Het was dus eigenlijk geen echte taart. Ik had een stukje van de restjes meegekregen en mijn aanwinst trots op tafel gezet.
Mama en papa maakten ruzie. Over Adèle. Mama had al een paar keer die naam sissend laten vallen, als een valse slang, maar nu schreeuwde ze erover. Ik vroeg wie Adèle was. Ze wilden het mij niet vertellen. Ik zei dat ze moesten ophouden met ruziemaken en vroeg of ze van mijn lekkere taart wilden proeven. Ze wilden niet en schreeuwden steeds luider.
Adèle. Ik weet nog dat ik het een hele gekke naam vond. Als ik er nu over nadenk, zie ik een vrouw voor me met geblondeerd haar en een pelsjas. Met een hoge schelle lach, die mijn vader bij de elleboog aanraakt. Zo’n typische hoer uit een Oostblokland.
Mijn moeder begon te gillen en te krijsen en mijn vader knuffelde haar keel met zijn handen. Ik was blij. Zo hield ze eindelijk op met tieren. Ik vroeg papa of hij een stukje taart wilde maar hij reageerde niet. Zijn ogen stonden vreemd. Hoe zeer ik me ook aan zijn broekzakken vastklampte en hoe zeer ik mijn onbegrip liet blijken, hij liep weg, zoals hij dat zijn hele verdere leven zou doen.
Mama maakte vreemde keelgeluiden, rochelde en hoestte, schraapte, slijmde, sisselde en kraakte, maar die avond schreeuwde ze niet meer. Ze huilde wel, zoals ze zo vaak deed. Ze huilde en hield mij en mijn zusje in de armen, aan elke moederborst een kind. Ik bleef zitten op de koude vloer, in mijn korte Pocahontasnachtjaponnetje. Soms vroeg ik of ze een stukje taart wilde maar ze schudde het hoofd en bleef huilen. De vlekken in haar nek werden blauw en paars, net zoals de rode vlekken die mémé daar eeuwig zitten had. Ik had ook duizenden blauwe plekken, maar die waren wel steeds op mijn knie. Ik wist dat als ik maar lang genoeg zeurde, mama er een pleister op plakte, steeds opnieuw, elke keer als ik viel.
De nagel aan mijn doodskist, zo noemde mama mijn papa. Ik begreep steeds minder en minder, ik voelde me zo klein. Hoe kon papa nu de nagel zijn aan een doodskist, die zij niet eens bezat? En hoe kon papa nu op een nagel lijken? Hij was lang en mager maar deed me in de verste verte niet aan ijzeren, smalle staafjes denken, en al zeker niet aan mijn teennagels die ik zo graag knipte en verzamelen wilde.
Nog lang daarna leken dit de redenen waarom mijn ouders geen paar meer konden vormen. De computers. Mijn oma. Geldgebrek. Adèle. Mijn vaders eenmalige woede-aanval. Dat waren de motieven die mijn moeder bleef aanhalen als ik vroeg waarom het niet meer kon. Ze kon niet kiezen welke het meeste waar was, maar één ding stond vast: het was zijn schuld.
Mama’s buik was de zachtste die ik kende. Ik was drie en mama’s buik werd groter en groter, boller en boller. Ik sliep vaak op de bobbel, mijn zusje.
Van haar weeën en het ziekenhuis weet ik nauwelijks iets, ik vermoed dat ik wel bij een oma zal geweest zijn. Wel weet ik nog dat mijn zusje huilde toen ik haar voor het eerst zag, een gerimpeld roze mensje. Ik zong een liedje voor haar – “Kere weerom, reuze, reuze, kere weerom, reuzegom.” Of ze stopte met huilen of verdrietig voortzette, weet ik ook niet meer.
“Mama, ik ben verliefd op je en wil met je trouwen,” zei ik vaak.
Papa was nu vaak thuis, maar als hij er was, speelde hij op zijn computer met zijn beste vriend. Zijn beste vriend kon erg mooi gitaarspelen. Hij kon ook goed met computers overweg.
Soms huilde mijn mama en dan zei ze dat ze computers haatte.
Mijn papa begon mijn mama soms ‘poesje’ te noemen. Vroeger noemde hij haar enkel ‘Punkie’, maar zo noemde iedereen haar. Het was omdat haar haar soms paars en soms rood was, soms kaal en soms stekelig, maar nooit zoals het haar van de andere moeders. Papa liet zijn baard en zijn haar groeien. Zijn haar werd knopen en zijn baard was rossig en prikte als hij me een slaapzachtzoen kwam geven.
Mijn papa moest een paar weken weg voor zijn werk. Hij ging naar Tsjechië, met zijn rossige baard en zijn knopenhaar. “Waar is Tsjechië?” vroeg ik vaak. Mijn mama kon het niet uitleggen. Ze had ook geen tijd om het uit te leggen. Ze huilde vaak omdat er geen geld was. Papa had het meegenomen, zei ze. “Een brood is toch niet duur?” vroeg ik voorzichtig. Ze was boos als ik zoiets durfde te stellen. “Jawel,” beet ze me toe, ze riep dan zo luid dat ik niets meer durfde te zeggen. “Waar is Tsjechië?” vroeg ik toen papa eindelijk terug was. Zijn baard was weg en hij lachte veel meer. “Het is een land waar er zó’n pak sneeuw ligt dat het tot hier komt!” zei hij en dan hield hij zijn hand tot aan zijn middel. Ik begreep het niet. “Heb je dan geen koude voeten? Welke schoenen draag je dan?”
Soms huilde mijn mama en dan zei ze dat ze Tsjechië haatte.
De hoofdstad van Tsjechië is Praag.
Papa ging vaker weg, maar hij zei niet meer dat het voor zijn werk was.
Ze schijnen gelukkig te zijn geweest. In een verleden hier ver vandaan. Als mama met mij de herinneringen ophaalde, kon ik ze nog even proeven. De centwafers met melk die LU toen nog verkocht probeerde te krijgen. Ik noemde ze ‘centwafersmelk’. De blauwe plasticinespaghetti die ik haar dwong te eten. De gehaktballetjes die ik met papa rolde en ze één voor één in mijn mond propte. Als hij me achteraf dan argwanend vroeg of ik helemaal niks had opgegeten, schudde ik overtuigd mijn mond. Ik ontkende, varkensvlees spuwend.
Mama was toen nog ambitieus. Omdat ze nog nooit iets geweest was, wilde ze alles worden. Ze volgde cursussen aromatherapie. Ze volgde cursussen tarotkaartlezen. Ze wilde leren pendelen. Ze leerde alles over de werking van kristallen. Ze maakte altaren en ons huis was zwaar van alle wierookgeur. Tijdens haar lessen waarin ze haar spirituele kanten ontdekte, werd ik steevast bij oma gedropt.
Oma’s. Ik had er twee.
Mémé was haar moeder. Ze was dik en haar hals was altijd rood. Ze at elke dag om twaalf uur ’s middags (tomatensoep met witte boterhammen, behalve op woensdag, dan aten we croque monsieurs) en om zes uur ’s avonds (opnieuw tomatensoep, en daarna altijd aardappelen, appelmoes en vlees – behalve op woensdag, dan aten we zelfgemaakte frietjes met balletjes in tomatensaus – ze aten ook alleen maar met vorken en lepels en nooit met een mes). Als het eten niet op tijd werd opgediend, ging mijn grootvader schreeuwen. Pépé schreeuwde voornamelijk tegen mémé, en tegen mij soms ook wel eens, als ik niet ‘schoon speelde’, zoals hij dan zei. Maar meestal gniffelde hij in zichzelf om zijn moppen die ik niet begreep, kauwend op zijn stinkende sigaar, grabbelend in de pot met snoep die op het salontafeltje stond. Vaak mocht ik ook zo’n kleverige bonbon in mijn mond stoppen, soms met likeur in. Die spuwde ik meteen weer uit in de asbak. Als ik wegging wilde mémé me plakzoenen geven die stonken naar haar adem, en hield ze niet op met mijn haar goed te leggen. Pépé wilde dat ik hem een ‘plaque’ gaf. Dat was eigenlijk een low five, alleen trok hij net voor ik hem zou raken, steeds zijn hand weg. We wisten allebei dat hij altijd zijn hand wegtrok, en toch moest hij altijd lachen als hij me keer op keer weer in de maling nam. Dan lachte ik ook, want ik vond het veel fijner als hij lachte dan als hij schreeuwde.
Oma was papa’s moeder. Vreemd genoeg weet ik niet meer hoe het bij haar was toen ik klein was, al was ik doordeweeks continu bij haar en opa. Het enige wat ik me nog herinner, is de geur die daar hing. Hun huis rook zo veel lekkerder dan dat van mama en papa. Het liefst van alles was ik bij oma en opa.
Papa zag ik nooit, want hij werkte de hele nacht en sliep de hele dag. Het enige wat hij wel eens deed was me op zijn schoot zetten, me omhelzen en een liedje te zingen over een paard dat naar de markt ging, en voor mij iets mocht meebrengen. Suggestief liet hij zijn benige knieën dan meedraven met het paard uit beider onze fantasie. Het liedje eindigde altijd met: “En breng voor ons meisje een … mee!” Dan mocht ik zelf invullen wat het paardje voor mij moest meebrengen – meestal koos ik voor een snoepje of een eierkoek.
Mama en ik gingen vaak naar de markt, elke donderdagochtend. Mijn favoriet was nonkel Frans, de man van het snoepjeskraam. Hij maakte de lekkerste eierkoeken en ik kreeg ook altijd extra gratis snoepjes, als zijn vrouw het niet zag. Op een dag zeurde ik om gaatjes in mijn oor. Mama nam me mee naar een marktkramer die welwillend toestemde mijn kleine oortjes te molesteren. Na één oor brulde en jankte ik, waarna mama, vol van schaamte, me meenam naar huis. Ik geloof dat ik slechts één oorbel heb gedragen tot ik een jaar of elf was, en eindelijk niet meer bang was voor de pijn.
Mijn moeder liet ze komen. Mannen die fervent ejaculeerden zoals zij de heroïne hun aders in injecteerden. De motieven waren passioneel, het besluit dat mijn vader nam, rationeel. De eerste en enige keer in zijn leven dat hij deed wat hem te doen stond. Mijn moeder liet hem komen en in de ruil voor haar gastvrijheid beloofde hij haar bij te staan in zwangerschap en wat daarna komen zou. In de hoop dat het nooit zou gebeuren.
En toen. Acrosoomreactie.
Wiens zaad het was geweest, dat bleef een raadsel. Mijn vader nam een besluit. Hij deed wat hem te doen stond.
- Vaak wordt het Mandarijn ook gewoon Chinees genoemd.
- De zogenaamde tangerijn is een varieteit van de mandarijn.
- Tangerijnen bevatten pitjes en smaken zoet.
- Mogelijk hadden de Mandarijnen een voorliefde voor de zoete vruchtjes, of hadden ze de mandarijnteelt gestimuleerd.
- De mandarijnen droegen vaak oranjekleurige mantels
- De vruchten, met daaraan het steeltje en een blad, zouden uiterlijk gelijkenis vertonen met de zomerhoed van een Mandarijn, met daarop een stokje en een veer.
- De functie van mandarijn stond in hoog aanzien
- Om mandarijn te kunnen worden, moest men een zeer moeilijk staatsexamen afleggen.
- Alle leden van de mandarijnenfamilie hebben een geurige schil, die gemakkelijk loslaat van de partjes.
- Het probleem: de schil blijft groen.
- Dat klopt ook.
- Mandarijn met een gsm
- Hoge Chinese ambtenaren moesten daardoor voor het eerst samenwerken met een notoire dissident zoals Ai Weiwei.
- Deze zomer ging het echter goed mis
- De kunst volgt de economie
- Er zijn nog gentlemen.
- man – da´ rijn
- in de herfst zijn er weer mandarijnen
- ons assortiment aan dwergjes is erg groot
- Een ontslaping forceren bij mannen die ze echt niet begrijpen!
- De resultaten zijn vooralsnog pover.
- Ik vond nog een chocolade sinterklaas, een geschenk van mijn directeur.
- Het fruit van tegenwoordig is toch ook niet meer je dat. Het wordt niet meer rot.
