Hij staat ergens op mij te wachten in het verre Antwerpen. Hij? Hij. Hij had mijn grote vlam kunnen zijn, die ik met kloppend hart en stokkende adem had kunnen opwachten, waarna ik me niet langer kon beheersen en hem in de armen vloog en zijn gezicht tussen mijn handen nam en hem kuste en de zoete smaak van zijn tong proefde. Maar dat was hij niet. De man die voorafgaande emoties bij mij heeft kunnen losmaken, daar heb ik reeds minder passioneel afscheid van genomen.
Hij? Hij is te benoemen als een vriend van een vriend. Zo’n vriend van een vriend die heel aardig is en aanbiedt mee te gaan naar verheffend theater op momenten dat je een beetje eenzaam bent. Alhoewel het theater dan enkel letterlijk verheffend blijkt te zijn – je gaat kou lijden op een balkon waarvan je niet wist dat het bestond in een Antwerps station, terwijl je naar beneden kijkt. Je kijkt naar de mensen, die allemaal een verhaal krijgen, en vooral de acteurs die letterlijk een stationsroman vertalen. Ze worden verliefd. De man zingt ‘Moon River’ voor de vrouw en ik word verliefd op hem. Ik kan niet ontkennen dat tranen mijn oog in durven te springen.
Maar alvorens de hele rimram van start kan gaan, kan ik eerst doen wat ik altijd al heb willen doen; een onbekende op kokette manier verrassen. Hij laat me weten dat hij voor de loketten staat, de moed der wanhoop is nabij – want waar ben ik? Ik sluip naar voren en zie zijn rug. Dan onderwerp ik dit prooi sluw aan mijn streken, als ik fluister: “Hier.”
Mijn naam is Adam,
ik ben eerste persoon enkelvoud
en zo alle appels niet etend
zwerf ik door het paradijs.
Ze noemen mij Adam,
ik schijt vrouwen
met borsten die ik verzon,
lang geleden
in den beginne.
Ik ben Adam.
Enig man, een sluwe slang
die zijn wijf de tuin om leidt
als ze begint te zeuren.
Ik hou op met slapen
omdat ik naast je
wil ontwaken.
Ik wacht op een zucht
wind, gekreun van daken,
het is te warm
voor een laken, maar ik be-
de(n)k me met het deken
van de nacht.
Je mond is verwrongen
van dromen, maar ik weet
hoe je lacht: alsof je mij
beschermen gaat, met
je enorme handen
geklemd rond mijn tieten,
Bonnie & Clyde.
Je lacht om mijn grapje
al weet je nog niet
dat ik naar je kijk. Slaap lekker
dier, ik denk zelfs niet
aan een metrum nu ik je gewoon wil
vertellen dat ik van je hou.
Er zijn twee dingen waar ik van moet kotsen.
Het eerste is een bende die de trap opstormt terwijl je op de sofa ligt te kermen van buikpijn, terwijl je zacht geaaid wordt door een geliefde die ook de stekende hel voelt in zijn slokdarmen. De zure, brandende pijn die ik zo vaak heb verwelkomd als mijn enige vriend, maar die ik nu wel vergeten wil, als dat betekent dat ik door deze sterke armen zacht kan worden geaaid. De bende bestaat niet enkel uit vertrouwde gezichten, maar ook uit bruingekleurde gelaten, armen beladen vol zakken met een niet-koosjere inhoud. Iedereen valt als wolven aan op de buit van de bende en begint een massa vuilgroene kropjes in veel te klein plastic te proppen. Als er verdeeld en geheerst is, kan niemand de ruimte snel genoeg verlaten. Maar ik ben eerst. Want het aanbeeld maakt me misselijk. Het enige wat me weerhoudt van vomeren, is het besef dat ik daar niet thuishoor.
Ik moet ook kotsen als ik iemand anders zie braken. Als ik het gore slijm zie belanden op straat terwijl we rennen voor een tram, ben ik allereerst vervuld van afschuw en schaamte. Maar dan zie ik weer diegene die me zonet heeft geaaid en verzorgd tot ik dacht dat ik geen pijn meer had. Dan bereikt de jongen die zo lekker ruikt, mijn neusgaten opnieuw. Het kan me niet schelen dat ik hem op de mond zoen. Noch dat het besmettelijk is, noch dat het gewoon walgelijk is. Hoe zou ik hem ooit kunnen verlaten, als ik het nog niet eens kan omdat het moet?
Drie voor twaalf, ik schud aan zijn arm. Dat ons een nieuw jaar te wachten staat, met vuurwerk dat al een kwartier lang vals voor onze ramen knalt. Welke klootzakken beginnen daar godverdomme te vroeg mee? Niets geen shows met witte pareltanden en schaarsgeklede vrouwen die het publiek opzwepen tot een wildere dans dan doorsnee. Wij tellen af met Teletekst. In een seconde is het gepiept, niets lijkt anders.
We kijken elkaar aan. Een symbool voor mannelijkheid spreekt de taal van de vlam. Wij wankelen tussen slaap en droom in. Het jaar is slechts een paar minuten gevorderd en een laken wikkelt zich om ons heen.
De maan is zo groot dat hij wel van karton lijkt. Janneke lacht vriendelijk, gaapt en huilt, en ik maak nog vele andere gezichten van zijn kraters. Het is maar een schijngestalte.
Mijn heupen ontheiligen de kerk. Pront wisselt mijn achtersteven de ene bil met de andere af, terwijl ik de geur van oud en verloren in me opneem, van geen kwaad bewust. Jezus kijkt me vermanend aan.
Onze blikken kruisen, hij hangt boven het altaar. Zondig, zo beslist hij over mij. Zijn uitgemergelde lichaam doet me twijfelen aan zijn kunnen. Die ouwe Grieken met hun atletische bouw stonden misschien prachtig met hun lendendoeken, hij ziet er slechts mistroostig en uitgestreden uit. Geloven mensen zo vurig in iets dat ze zouden kunnen afmaken met één vuistslag? Is dat hun beschermer?
Ik geloof niet. Ik geloof zeker niet in gelovigen. Ze kruisen de handen niet uit eerbied voor Hem, de almachtige, maar omdat ze iets nodig hebben. Bidden gebeurt uit egoïsme. Zeg me, katholiek, heb jij ooit gebeden voor iets waar je zelf geen oordeel uit haalde?
In mijn tempel staat een podium. Waar heupwiegen een kunst is. Waar ik mezelf kan verliezen en me minderwaardig acht aan alles dat in een moment meer gratie kan bevatten dan ik in mijn hele leven. Goed, ik ben zo ijdel als de pest, en stop voor elke spiegel om mijn gelaat te corrigeren. Mijn leven is een bron van lust, ik zou al mijn uren wijden aan onkuisheid, als ik er maar de kans toe kreeg. Bovenal ben ik een vrouw, dol op roddelen, praten over anderen, en mezelf een beter zelfbeeld inpraten. Maar in mijn tempel vindt niemand zich een haar beter dan mij. In mijn tempel kan ik mijn mond houden, uit respect. Kan ik mezelf verliezen in een wereld die niet bestaat, waar alles kan en alles mag.
Want wees gerust, als onze zonden niet worden vergeven, geloven we er allemaal aan.
Ik ben niemand.
Ik ben een homp vlees dat geen naam gekregen heeft. Levend of dood, ergens, nergens. Mijn ouders hebben ze aanbeden. Mijn ouders hebben ze gekruisigd, vergast, verbrandt en verbannen. Zelf heb ik ze niet gekend, maar ze zijn mijn alles. Ze zijn me niets waard, zoals ik niets ooit heb gezeten.
Niets is iets dat er niet is, maar het moet er geweest zijn voor er niet te kunnen zijn. Andere tijd, andere plaats – niet nergens, maar ergens.
Ik heb mezelf gevonden en daarna weer verloren.
Mama ging steeds meer om met Martin. Ik kende hem al tijden, papa en ik fietsten namelijk vaak naar zijn huis, dat maar een paar straten verder was.
Ik kon al heel goed fietsen. Opa had het mij geleerd. Ik wankelde op mijn twee wielen en trapte, terwijl hij mijn bagagedrager vasthield. “Stevig vasthouden, hé?” vroeg ik altijd met een angstig stemmetje. Hij beloofde het, maar op een keertje liet hij me los. En ik bleef fietsen, tot ik achteromkeek natuurlijk. Toen ik zag dat ik helemaal alleen met die twee wielen onderweg was, viel ik om van de schrik.
Ik huilde en ik was boos want mensen moeten verdomme doen wat ze beloven.
Niet lang daarna werd alles anders. ‘Mama en papa’ bestonden niet meer. Nu was er mama, met Martin. Hij had een ader die gevaarlijk opzwol als hij kwaad was en een tatoeage op zijn schouder, al is me ontgaan wat daarop stond. Hij had altijd Sylvie gekust, die zwijgzaam was en haar ogen vaak neersloeg zonder reden, maar opeens ging hij mama kussen.
Ik zag mama niet zo vaak meer.
Papa, mijn zusje en ik bleven vaak achter in een huis dat ons veel te groot was geworden. Hij stond me een heleboel toe dat ik daarvoor niet had gemogen. Ik hoefde niet te gaan slapen als ik niet moe was. Ik mocht cola drinken als ik dat wilde.
Mama en Martin deden ondertussen in cafés datgene wat je daar mag doen.
Sylvie stapte ’s ochtends stilletjes uit de slaapkamer die tot voor kort degene van mama en papa was geweest. Ik zag het, maar hield mijn mond. Papa vond het aangenaam als ik mijn mond hield.
Sylvie was ook de eerste vrouw die ik met zo veel toewijding zag dweilen en de was sorteren. Daar stelde ik me wel vragen bij. “Waarom doe jij dat?” vroeg ik. Ze dacht heel lang na en zei dan: “Alle vrouwen moeten het huishouden doen.”
Ze loog. Mijn mama haatte het huishouden. Ze zei vaak dat papa even goed kon meehelpen, en hij zei op zijn beurt dat hij er even goed een grondige hekel aan had.
Ik ben op zoek naar woorden. Woorden die niet tekort schieten, zoals ‘Ik hou van je’ dat doet. Laten we het maar onder ogen zien, ik ben een romantische ziel. Er valt niks meer aan te doen. Daarom probeer ik te accepteren dat ik nooit meer over iets anders zal schrijven dan de liefde.
Wat past bij het gevoel om alles te delen? Ham-kaasbroodjes (één) en sigaretten (een miljoen). Als ik naar de wc ga en bedenk hoe lief het van hem zou zijn z’n laatste slokje godendrank aan me af te staan, heeft hij het restje voor me bewaard. Als ik gelukkig ben, zegt hij dat hij gelukkig is. Stilaan beginnen we niet alleen elkaars zinnen af te maken, maar zetten we ook de punten, komma’s en uitroeptekens waar nodig. We hebben niets meer tegen elkaar te zeggen, het productiefste wat we doen is liggen, tegen zijn schouders, op zijn schoot. De meest innemende gesprekken voer ik met zijn penis. We kussen als een pril en relatief marginaal koppel, tot we erbij neervallen. We krijgen er niet genoeg van, we krijgen er nooit genoeg van. We kunnen niet dicht genoeg zijn, we kunnen nooit dicht genoeg zijn.
Ik kan het niet verwoorden, maar wel tonen.
High heels. Ik moet dringend schoenen kopen waarvan ik niet kreunend op de grond lig na een hele avond dansen. Mijn voeten branden. Ik breng de nacht door in een onbekende sofa, nadat ik plechtig heb moeten zweren dat ik niet het soort mens ben dat in sofa’s kotst. Dat is een belofte die ik zelfs had kunnen waarmaken mocht ik dronken geweest zijn.
Ik ben niet dronken. Behalve als je dronken van liefde kunt zijn. Ik ben enkel moe, maar ik kan niet kiezen hoe ik slapen wil. Laat mij het binnenste lepeltje zijn en omklem mijn borst en mijn heupen. Of mag ik mezelf oprollen tot een bolletje, en dan met mijn knuistjes op jouw schouders in slaap vallen tussen je oksel en het kuiltje van je keel?
Altijd zal ik wakker worden en gelukkig zijn, zelfs al is het omdat ik me kapotzweet, zelfs al is het omdat hij moet pissen, of omdat het koppel naast ons elkaar aan het bevredigen zijn. En wij maar denken dat we oud genoeg waren om zulke feestjes nooit meer te hoeven meemaken.
Deze zijn het allerleukst. Zo denk ik als ik nog eens wakker word naar de reden waarom alles gaat kriebelen, als zijn haren en verse koffie de eerste ochtendgeuren zijn, als het eerste wat ik zie alle huizen in mijn stad zijn. Als het eerste wat we doen, een Duvel drinken is, in een dorpscafé waar ze slechts twee euro kosten. Terwijl we klinken op de ochtend deelt hij onze sigaretten. Omdat we zullen stoppen met roken.
