Ik ben bijna jarig. Voor de negentiende keer in mijn leven. Goed herinner ik me de vorige jaren niet meer. Mijn zus bakte soms cake, nog voor ik wakker werd, zodat het hele huis gevuld werd door een zoete bakgeur. Soms gingen we met de hele familie wandelen, omdat de bladeren in de bossen zo mooi zijn midden november. Vorig jaar gingen we uit, dansten we to wet het niet meer koud hadden buiten, was mijn verrassing dat een vriend bijna tien keer door het trapgat viel.
Dit jaar schrijf ik vanuit het donker, omdat er een jongen in mijn bed ligt met hoofdpijn. Meestal is hij onverwoestbaar, maar vandaag niet. Soms kijk ik om, zie het flauwe licht nog een beetje op de hoop lakens die hij is schijnen en kriebelt het ergens diep in mij. Soms ga ik even naast hem liggen, streel zachtjes zijn rug, controleer ik of hij nog leeft. Meestal denk ik dat hij mooi is.
Straks ga ik naar een feest, laat ik de jongen dutten en vertrek ik, met de deur zachtjes sluitend achter mijn rug. We zullen bestiale hoeveelheden wijn drinken, ik zal cadeautjes krijgen van diegenen waarvan ik het niet verwacht, mijn oude vrienden zullen er zijn. Behalve dan hij die niet door het trapgat viel, die vertoeft in de stad van de liefde. Maar ik vind het niet erg, de laatste maanden is hij overal behalve bij mij. En zelfs als ik hem zie, is hij er niet echt.
Het geeft niet, ik ben bijna jarig. Ik krijg geen taart meer omdat de kaarsjes er niet langer op passen. Melancholie is een woord uit verstofte boeken, maar toch, ik word groot.
Er is een oude man. Steeds opnieuw vergeet ik dat hij oud is. Soms vind ik hem met zijn rug op de grond, de ogen gesloten en ben ik er voor een ogenblik zeker van dat hij dood is. Geen geluid maak ik dan, ik blijf staan alsof ik bang ben hem uit zijn eeuwige slaap te wekken. Steeds opnieuw opent hij zijn ogen terug, mompelt dat hij wat last heeft van rugpijn en dat dit het enige is dat helpen kan.
Zijn vitale kracht berust in zijn grote, eeltige handen, zijn huid die niet uit rimpels lijkt te bestaan maar uit hard leer.
Nooit kan ik hem een glimlach bezorgen. Een bittere, oude man, zou men al gauw denken, ware het niet dat hij steeds neuriënd door de gangen dwaalt.
Hij vindt het fijn om nee te zeggen als alle anderen het eens zijn, denk ik soms. Hij vindt zichzelf belangrijk. Hij wil de enige zijn die gelijk heeft. Mensen zeggen wel eens dat ik goed ben met woorden, maar elk lang gesprek met hem zorgt ervoor dat mijn zinnen knakken als dunne twijgjes, mijn stem trillend overslaat als mijn tranen vanuit mijn keel naar mijn ooghoeken kruipen.
Hij wil diegene waarvan hij houdt breken om te herstellen met zijn eigen lijm. Er zijn drie zonen, waarvan twee verloren en één volmaakt. Waarschijnlijk heeft die ene zoon bij zijn kinderlijke ontdekkingstochten, zijn massiviteit behendig doorboord, om de rest van zijn leven beschermd te worden door zijn goedheid.
Hij weet alles en toch ken ik niemand die zo dom, zo doof kan zijn. We delen ons bloed en nog nooit heeft hij zelfs maar de achterkant van mijn hoofd geaaid.
Het is een oude man en hij lijkt onsterfelijk. Toch ligt hij soms zo, met zijn rug op de vloer en voel ik me heel klein. Heb ik zo veel spijt van alle dingen die we nooit tegen elkaar hebben gezegd.
We krijgen altijd wat we willen. Het is me niet duidelijk of dat komt omdat we vrouwen zijn, of jong en mooi. Zo vreemd dat wij het verhaal vervolledigen van het wild dier en zijn prooi, we pinnen ons vast op knappe mannen en krijgen ze. Meestal blijken ze dan nog eens uiterst charmant, grappig, slim, met slechte kantjes die net zo verwaarloosbaar zijn als kleine ezelsoren aan een prachtig boek.
Ik kan blij zijn als andere mensen krijgen wat ze willen. Ik kan triest zijn voor lelijke mensen, hoewel ik niet weet wat ze willen. Zouden de lelijken ongelukkiger zijn dan mooie? Of zouden ze zich net makkelijker neerleggen bij de dingen zoals ze zijn? Maar dan opnieuw; kan je gelukkiger worden met sneller tevreden zijn? Het lijkt soms alsof ik me de dingen wel erg simpel voorstel, maar dat zijn ze ook. Er is een soort van lelijkheid die we allemaal lelijk vinden, en er is een schoonheid die door iedereen lyrisch bezongen wordt. Het is fijn om te weten dat ik mooi genoeg ben om niet lelijk te zijn, maar daar houdt het ook op. Het is frustrerend om de minst knappe vriendin te zijn. Het is een klap in het gezicht om degene te zijn die de charlatan van de nacht er helaas bij moet nemen bij het versieren van een ander, sierlijk wezentje.
Het heeft me nooit belet om te krijgen wat ik wilde. Het lukt om te pretenderen dat ik bijzonder ben, gezien ik niet mooi genoeg ben om mooi te zijn. Ik zet mijn klauwen steeds in mooie mensen, die ik dan fijne en vaak compleet uit de lucht gegrepen eigenschappen toedicht. De vraag blijft me achteraf dan ook achtervolgen of ze wel werkelijk waren wie ik wou ze te zijn. Op een dag beet ik me vast in een jongen die mooie praatjes maakte en helemaal niet zo aantrekkelijk was, maar maanden later kelderde hij me dan weer met de aardige formulering dat ik gewoonweg dik was.
Dus daar zweef ik dan, tussen de mooie mensen die allemaal mijn vrienden lijken te zijn en tussen de lelijke mensen die ik niet ken. Ik heb mijn zogenaamde bijzonderheid om aan vast te klampen, in principe eerder een waanbeeld in mijn hoofd en bijzonder ambigu. Ik krijg desondanks dat waar ik op jaag, maar na er even mee gespeeld te hebben, verlies ik algauw mijn interesse.
Het zijn degenen die waarlijk bijzonder zijn, die niet loslaten, zich verstrikken in mijn manen.
Blijkbaar had ik niet gevoeld dat de regelmatige kwijlaanvoer van het pasgeboren object naast me al een tijdlang was gestopt. Ik was te zeer verdiept in het bouwen van de hoogste toren die ik maar kon bedenken, iets waar ik jaren geleden al door werd geobsedeerd. Ik betwijfel of ik hoger kon dan ik had gekunnen toen ik nog op een stoel moest gaan staan om blokje op blokje gaan plaatsen, waarna de toren vervaarlijk wankelde en de grond weer kuste, wat meestal aanleiding gaf tot woede en hete tranen. Ook stelde ik me geen vragen bij het feit dat ik nog steeds voldoening schepte uit een torencreatie in plastieken blokjes en na al die jaren niet meer ambitie voelde om bijvoorbeeld andere materialen uit te proberen, zoals baksteen en beton, marmer of iets dat in ieder geval moeilijker was dan het ineenschuiven van de uitstulpingen in de suggestieve gaatjes.
Het was pas toen enkele paren schoenen voorbij pasten en aarzelend halt hielden, dat ik schuldbewust mijn blik naar boven richtte. Hoe verklaart een volwassen meisje dat ze in plaats van zorg te dragen voor haar kleine nichtjes, hun speelgoed afneemt en zich er zo zeer in gaat verdiepen, dat desbetreffende nichtjes hun nagels kunnen kwijtraken – of beter nog, hun vingers – tussen vervaarlijke keukenkastjes, of opgepikt worden door een man die lolly’s en chloroform uitdeelt als een pedofiele Jezus, kortom, hoe zij moord en brand zouden kunnen schreeuwen zonder ik dit enigszins had opgemerkt.
Daarom lachte ik schaapachtig, vanuit mijn ooghoeken speurend naar die verdomde zoekgeraakte kleuters, klaar om te bewijzen dat ik me, hoewel dit op het eerste zicht misschien niet zo had geleken, door mijn polyvalentie zowel een gigantische toren kon bouwen als me ontpoppen tot een hedendaagse moeder Theresa, compleet ontfermd over de twee arme hummeltjes.
Uiteindelijk drong het tot me door dat de grote mensen geen aandacht schonken aan het meisje met de toren, maar een discussie voerden over welke blasé keuken ze nu in hun bourgeois villa zouden laten plaatsen. Dus ik deed waar ik goed in was, nam een rood blokje en liet mijn toren wankelen.
Mijn leven heeft besloten om me dagelijks alleen te laten met een eindeloze stroom gedachten van mezelf en stinkende, warme melk. Soms, als ik te veel wegdroom, stapelen de potjes natuuryoghurt zich op de fabrieksband, als levende wezens dringend verzoekend om mijn aandacht. Soms doen mijn gedachten hetzelfde. Dan dwing ik mezelf te tellen, of luidop (vals) liedjes te zingen. Het leuke aan lawaai is dat niemand me hoort.
Niet dat er veel ongelukkige gedachten door mijn simpliciteit geïnfecteerde hersenen ronddwalen. Ik zie mijn blonde, magere vriendinnen naast me lopen met een minimum aan kleren en een gigantische trekzak op onze rug, ergens op een godvergeten Indonesisch eiland. Ik denk aan dat het overmorgen al is, dat ik niet meer één, maar twee lijven ben en dom kan glimlachen naar één of andere kerel die op een dag in maart besloot om me te ontmoeten. En dan denk ik aan hoe weinig heb gedacht aan een jongen die ik nooit had willen ontmoeten, tot hij me een brief schreef in een handschrift dat pijnlijk netjes was. Ik glimlach, ik glimlach want aan hem denken was de eeuwige muur waar ik blindelings tegen op bleef botsen.
Als ik terugdenk aan vorige zomer, herinner ik me de mooiste maanden die ik ooit heb gekend. Maar nu ben ik verwikkeld in volgende zomer en het heeft geen zin om die te laten versomberen. Het is vreemd hoe hij me al die tijd heeft doen veranderen in mijn moeder, met woede-impulsen de ene minuut en dagenlang daarop volgend spijt. Maar nog meer verwarrend vind ik waarom hij dat veroorzaakt, van alle mensen, zonder werkelijk iets verkeerd te doen, behalve mooier te schrijven dan mij. Malend om verklaringen, op mijn wangen kauwend en gissend heb ik dus de laatste tijd gespendeerd.
En vandaag waren er uren en uren waarin ik aan hem had kunnen denken, maar ik deed het niet. Ik zong vals liedjes. Ik dacht aan mijn vriendje tegen wie ik eenzijdig krengerig ben. Ik dacht aan mijn vriendinnen die sinds de winter zijn gaan vervagen, maar in de herfst terug opbloeien. Ik telde mijn gedachten.
Je was blond en je rookte Gauloise.
Ik achtte je te jong voor mijn behoeftes.
Zelf verstikt aan goedkope merken,
smachtend naar mannen met baarden,
maar dan enkelvoud.
Ik heb me nooit echt afgevraagd
of ik van je houd. Je hebt je naam
op mijn rug geschreven, ik werd van jou,
punt.
Je bent de enige die me getemd
in je armen kon klampen.
Als slechte slaper heb ik me vroeger
steevast lostgerukt,
tierend welig woelige tranen gelaten,
van elk woord dat mijn mond uitkroop
spijt gehad.
Laat mijn vinger maar over je stoppels glijden
hier in de nacht. Er was een tijd waarin niemand
me kon vatten, maar nu ben jij er, en begrijpt.
Tijd is nooit tijd genoeg. Me dunkt dat ik me opnieuw moet opsluiten en opsluiten is nooit mijn sterkste kant geweest. Veel sterke kanten die ik me graag zou toekennen, zijn nooit mijn sterkste kant geweest. Ik vrees dat ik gemaakt ben voor een leven om te leven, niet om gedisciplineerd op de dood af te stevenen.
Gelukkig ben ik goed in niet vergeten. De volgende dingen beloof ik mezelf voor altijd te herinneren; zijn glimlach als hij de eerste noten hoort en de zon belooft te komen. De keer dat we plasten achter bloembakken, jongens schunnige zinnen naar ons schreeuwden bij het zien van dat schouwspel, wij onze broek weer omhoog trokken en verder gingen. Zijn onkunde om te weerstaan aan mijn ogen die vertellen dat ik hem missen zal. Hoe hij me bespotte toen ik zwoer dat ik vijf hamburgers eten zou en er maar tweeënhalf op kreeg. Het eeuwig te laat komen en hoe weinig het me kon schelen als ik haar zag. De zondagavonden waarop we behoorden te rusten, en het niet deden. Die keer dat ik hem een jongetje zag worden en blijven, gewoon omdat hij spelen kon met iets wat een gazon zou kunnen zijn. Ze me iets vertellen zou en de deur net openging, waarop ze zweeg. Toen we beiden naar huis moesten maar gelijktijdig op de trapjes gingen zitten en sigaretten deelden. Zijn blik als hij me zag als hij het station uitliep. Hoe hij wegging omdat hij niet van me houden kon, en dat dat niet erg was.
Daar ben ik dan,
ik een huis dat noch van mij
noch van jou is,
in een stad waar we niet zijn.
Er is slechts één plek die mij toebehoort,
ik verover bij het schuilen onder je arm.
Water verandert in godendrank bij dorst
maar jouw kussen stillen nog meer
honger, verlangen, apathie en meer
wil ik.
Ik wil je graag zien,
ik zie je graag willen.
Ik zie en en ik graag en
ik zoek
wat verder naar woorden.
Mijn handen in warm afwaswater stoppen om mijn hoofd af te koelen lijkt een zinloze oplossing. Toch is de oplossing adequaat om als een wervelwind door mijn smerige kamer te stormen en hem iets minder smerig te maken. Zo veeg ik ook de restanten weg van een dag waarin zelfs de onderkant van mijn zolen wisten wat liefde was.
Ik zie piemels die potsierlijk heen en weer zwaaien bij het rennen over de planken en ik denk aan hem. Ik zie liefde tussen twee mensen die over elkaar glijden in een dansante symbiose en ik denk aan hem. Het gaat over incest en ik denk aan hoe blij ik ben dat ik geen broer heb die ik tot diep in mezelf wil. Het gaat over een onverwoestbare liefde die verwoest wordt en ik denk aan hem, hoe ik mijn eigen kleine wervelwind kan zijn en stormen kan en toch niet verwoest maar dromen van later opnieuw doe opflakkeren.
Ik denk aan hoe ik deze ochtend broederlijk en zusterlijk in mijn bed heb gelegen. Veel te vroeg wurmde ik me, mijn naaktheid omklemmend, door het raam en gooide mijn sleutels overstag. Daarna werd ik omhelsd alsof het altijd al zo geweest was en zo hoorde het te zijn.
Dan komt hij, voor hem wie ik mijn slonzige pyjamabroek wel aantrekken om de godverdomse deur te openen, desnoods een opmerking over mijn slonzige pyjamabroek te incasseren. Het gebeurt niet, hij zegt alleen dat ik lekker ruik en dan omhelzen we zoals mensen nooit eerder omhelsd hebben, nog nooit eerder stom gegrijnsd naar elkaar hebben, nog nooit eerder zo hebben gehad.
Daarna ruim ik alles op, opdat de smerigheid lichtelijk zou afnemen. Niet omdat ik wil vergeten. Gewoon omdat ik niet wil missen.
Zo lang ik het laken draai en keer en naast
sigaret brandgaten zweet nog wat jou vinden
kan, wikkel ik.
Wikkel ik tot alles opnieuw proza wordt.
Geen zachte lippen van de poëzie
die ons opnieuw tot leven wekt,
enkel wachten.
Ik wikkel me in minuten.
Ik wikkel me in tijd die niet doodt.
Tijd die we gebruiken om te
lanterfanten rompslompen slenteren
op kousenvoeten naar het bed
waar we een fort bouwen
van woorden.
En alles is gezegd.
Wikkel ik zwijgend
het laken tot een web.