november 1, 2011
Er is een oude man. Steeds opnieuw vergeet ik dat hij oud is. Soms vind ik hem met zijn rug op de grond, de ogen gesloten en ben ik er voor een ogenblik zeker van dat hij dood is. Geen geluid maak ik dan, ik blijf staan alsof ik bang ben hem uit zijn eeuwige slaap te wekken. Steeds opnieuw opent hij zijn ogen terug, mompelt dat hij wat last heeft van rugpijn en dat dit het enige is dat helpen kan.
Zijn vitale kracht berust in zijn grote, eeltige handen, zijn huid die niet uit rimpels lijkt te bestaan maar uit hard leer.
Nooit kan ik hem een glimlach bezorgen. Een bittere, oude man, zou men al gauw denken, ware het niet dat hij steeds neuriënd door de gangen dwaalt.
Hij vindt het fijn om nee te zeggen als alle anderen het eens zijn, denk ik soms. Hij vindt zichzelf belangrijk. Hij wil de enige zijn die gelijk heeft. Mensen zeggen wel eens dat ik goed ben met woorden, maar elk lang gesprek met hem zorgt ervoor dat mijn zinnen knakken als dunne twijgjes, mijn stem trillend overslaat als mijn tranen vanuit mijn keel naar mijn ooghoeken kruipen.
Hij wil diegene waarvan hij houdt breken om te herstellen met zijn eigen lijm. Er zijn drie zonen, waarvan twee verloren en één volmaakt. Waarschijnlijk heeft die ene zoon bij zijn kinderlijke ontdekkingstochten, zijn massiviteit behendig doorboord, om de rest van zijn leven beschermd te worden door zijn goedheid.
Hij weet alles en toch ken ik niemand die zo dom, zo doof kan zijn. We delen ons bloed en nog nooit heeft hij zelfs maar de achterkant van mijn hoofd geaaid.
Het is een oude man en hij lijkt onsterfelijk. Toch ligt hij soms zo, met zijn rug op de vloer en voel ik me heel klein. Heb ik zo veel spijt van alle dingen die we nooit tegen elkaar hebben gezegd.