november 10, 2011
Ik ben bijna jarig. Voor de negentiende keer in mijn leven. Goed herinner ik me de vorige jaren niet meer. Mijn zus bakte soms cake, nog voor ik wakker werd, zodat het hele huis gevuld werd door een zoete bakgeur. Soms gingen we met de hele familie wandelen, omdat de bladeren in de bossen zo mooi zijn midden november. Vorig jaar gingen we uit, dansten we to wet het niet meer koud hadden buiten, was mijn verrassing dat een vriend bijna tien keer door het trapgat viel.
Dit jaar schrijf ik vanuit het donker, omdat er een jongen in mijn bed ligt met hoofdpijn. Meestal is hij onverwoestbaar, maar vandaag niet. Soms kijk ik om, zie het flauwe licht nog een beetje op de hoop lakens die hij is schijnen en kriebelt het ergens diep in mij. Soms ga ik even naast hem liggen, streel zachtjes zijn rug, controleer ik of hij nog leeft. Meestal denk ik dat hij mooi is.
Straks ga ik naar een feest, laat ik de jongen dutten en vertrek ik, met de deur zachtjes sluitend achter mijn rug. We zullen bestiale hoeveelheden wijn drinken, ik zal cadeautjes krijgen van diegenen waarvan ik het niet verwacht, mijn oude vrienden zullen er zijn. Behalve dan hij die niet door het trapgat viel, die vertoeft in de stad van de liefde. Maar ik vind het niet erg, de laatste maanden is hij overal behalve bij mij. En zelfs als ik hem zie, is hij er niet echt.
Het geeft niet, ik ben bijna jarig. Ik krijg geen taart meer omdat de kaarsjes er niet langer op passen. Melancholie is een woord uit verstofte boeken, maar toch, ik word groot.